Wonen en werken Over de eeuwen heen heeft de mens een enorme invloed gehad op de natuurlijke ontwikkeling van de Biesbosch. In het gebied ontwikkelde zich de biezencultuur, rietcultuur, griendcultuur, landbouw, visserij en jacht.
En de rivier de Nieuwe Merwede, die de grens tussen de Zuid Hollandse- en Brabantse Biesbosch vormt, werd in 1805 met mensenhanden gegraven om de afwatering van rivierwater beheersbaar te maken. Biezencultuur
In het begin werd de bies, een plant die uitstekend gedijt in natte omstandigheden, een veel voorkomend gewas. Met de komst van biezen versnelde het proces van aanlanding. De biezenvelden, deels spontaan ontstaan en deels aangeplant, werden in de zomer met de biezenhaak geoogst en uit het gebied vervoerd om op biezenweiden gedroogd en gebleekt te worden. Vervolgens werden ze verwerkt tot onder meer matten en stoelen. Biezen werden ook gebruikt tussen de duigen van een ton, om een ton waterdicht te maken.
De biezenvelden kwamen na verloop van tijd steeds hoger te liggen. De kwaliteit van de bies neemt dan af en het land is dan geschikter voor het telen van riet, dat er spontaan gaat groeien. De biezenvelden zijn nu verdwenen. Op sommige plekjes zijn de biezen nog wel te vinden.
Rietcultuur
Rietvelden, ook wel 'rietgorzen' genoemd, deels spontaan ontstaan en deels aangeplant, werden met een riethaak, een soort sikkel, gesneden. Bij de aangeplante rietgorzen werden greppels gegraven waardoor het water tijdens eb snel afgevoerd kon worden. Het rietsnijden gebeurde in de winter door mannen die de hele week in het gebied verbleven. Het transport door en uit het gebied gebeurde met 'vletaken'. Het riet werd geschoond, op lengte uitgesorteerd en op bossen gebonden. Vervolgens werd het riet gebruikt als stukadoorsriet, voor dakbedekking, matten, in zinkstukken voor de waterbouw en om in de duinen de verstuiving tegen te gaan. Het riet in de enorme rietgorzen in de Biesbosch kon wel vijf meter hoog worden.
Na ongeveer veertig jaar neemt de kwaliteit van riet af. De gorzen komen dan door de nog steeds voortgaande aanslibbing te hoog te liggen en de wortels van het riet krijgen te weinig water.
De meeste rietgorzen zijn nu verdwenen. Wel zijn er rietruigten ontstaan; gebieden waar naast riet ook andere planten groeien.
Griendcultuur
Op rietgorzen die hoog genoeg lagen, werden 'grienden', akkers van wilgen, aangeplant. Daartoe werd een kade gelegd, die net boven het vloedpeil reikte. Om het ontwateren te bevorderen, werden greppels gegraven. Op de langgerekte stroken grond tussen de greppels werden wilgenstekken geplant. Het wilgenhout werd ieder jaar of om de drie à vier jaar geoogst.
Griendwerkers verbleven heel de week in het gebied. In het begin verbleven zij in een schrankkeet, een bouwsel van wilgentenen en riet. Later werden werkgevers door de overheid verplicht deze onderkomens te vervangen door houten en stenen keten en woonarken. Het was een zwaar en slecht betaald beroep, de griendwerkers werden per gehakte bos hout uitbetaald. Het wilgenhout werd gebruikt door mandenmakers, korvenvlechters en hoepelmakerijen en in zinkstukken die in de waterbouw gebruikt werden.
De door de mens aangelegde grienden en gorzen, ook wel de plantages van de Biesbosch genoemd, werden door de afname van de vraag naar wilgenhout economisch steeds minder rendabel.
Landbouw
Op de lange duur werden grienden, door de almaar doorgaande aanslibbing van grond hoger en droger. De griend werd dan omgevormd tot graslandpolder. De wilgenstobben werden gerooid, en de kade werd verhoogd.
Vanaf het midden van de vorige eeuw is een groot deel van de Biesbosch vanuit Werkendam ingepolderd tot wei- en bouwland. Akkerbouw- en graslandbedrijven vestigden zich hier in de tweede helft van de 19e en de 20e eeuw.
Visserij en jacht
Al snel na de St. Elisabethsvloed probeerde de mens als visser en eendenkooiker zijn brood te verdienen in het waterrijke gebied.
|