Blauwe reigers zijn statige waadvogels die vissen, kikkers en muizen eten. Je vindt ze overal in de Biesbosch. Het zijn zichtjagers die soms minutenlang in het water loeren om vervolgens als een dolksteek toe te slaan met hun puntige snavel.
De mattenbies heeft ronde stengels en kan in gunstige omstandigheden drie meter hoog worden. De gedroogde stengels worden gebruikt voor het vlechten van matten en stoelzittingen. Hij bloeit van juni tot augustus met kleine aartjes.
Lepelaars vliegen met gestrekte hals in kleine groepjes over op zoek naar eetgebieden. Vroeger zaten er altijd tientallen in het Lepelaarsgat langs de Nieuwe Merwede, maar door de natuurontwikkeling kunnen ze nu overal in de Biesbosch terecht.
Aalscholvers kunnen onder water achter vissen aanzwemmen. Na de jacht spreiden ze hun vleugels om te drogen. Bij de Moerdijkbrug broedt een kolonie van ca. 300 paren. In de Gijster nestelen ze soms op een hoogspanningsmast.
Smienten overwinteren in de Biesbosch. De mannetjes zijn fraai gekleurd en maken een fluitend geluid. De vrouwtjes zijn roodbruin. Ze fourageren op grasland en rusten op grote waterplassen, zoals de spaarbekkens.
Kuifeendjes verzamelen zich na het broedseizoen in grote formaties op de spaarbekkens. Ze duiken naar zoetwatermosselen in de rivier. Bij kou drijven ze met honderden onder de luwte van hoge oevers. Vrouwtjes zijn bruin, mannetjes zwart-wit.
Kolganzen hebben donkere strepen over hun buik en een witte vlek om hun snavel. Ze overwinteren hier om in de graslandpolders hun vetreserves aan te vullen voor de zomertrek naar Siberië. Slapen doen ze o.m. in het Gat van den Hengst.
|